Artikel 19bis-11 §2 WAM – einde van aberratie?

Dit artikel delen...

Artikel 19bis-11 § 2 WAM heeft menig verzekeraar hoofdpijn bezorgd.

Het begon nochtans met goede bedoelingen. Een kettingsbotsing met 10 doden en talloze gekwetsten op de E17 op 27 februari 1996 deden het (toen nog) Arbitragehof beslissen dat de wetgever wettelijk moest ingrijpen om een ongelijkheid weg te werken tussen enerzijds de slachtoffers van een ongeval veroorzaakt door een niet geïdentificeerd motorvoertuig (die vergoed werden door het vroegere GMWF, thans BGWF), en anderzijds de slachtoffers van ongevallen waarin verscheidene voertuigen waren betrokken, doch waarbij het niet mogelijk was vast te stellen welk voertuig het ongeval had veroorzaakt (die geen vergoeding konden bekomen van het GMWF noch van iemand anders). Voortaan zou de “onschuldige bestuurder” gegarandeerd worden dat hij een schadevergoeding kon bekomen; de schadelast zou immers gedragen worden door de onderscheiden verzekeraars van de in de kettingbotsing betrokken voertuigen.Artikel 19bis-11 §2 WAM voorziet aldus in een vergoeding van schade van de benadeelden in het geval van een verkeersongeval, waarin verscheidene voertuigen zijn betrokken maar waarbij de aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld: “In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt”.De toepassing van artikel 19bis-11 § 2 WAM door de rechtspraak, heeft evenwel aanleiding gegeven tot een ontsporing.

Wat bedoeld was voor een kettingbotsing, bleek immers ook te gelden wanneer slechts twee voertuigen betrokken waren (arrest Grondwettelijk Hof van 3 februari 2011). Ook spoorvoertuigen werden aan dezelfde regeling onderworpen. De bepaling gold niet alleen voor materiële schade, doch ook voor lichamelijke schade.

Een en ander heeft ongewilde gevolgen veroorzaakt. Het feit dat twee voertuigen voldoende zijn om artikel 19bis-11 § 2 WAM toe te passen, houdt een risico op collusie in. Twee be-stuurders hebben er immers voordeel bij dat de aansprakelijkheid niet zou kunnen bepaald worden, liever dan dat zij elk deels aansprakelijk gesteld worden. In het eerste geval worden zij immers beiden integraal vergoed door hun beide verzekeraars; in het tweede geval kunnen slechts een deel van hun schade recupereren. Wie vordert op basis van artikel 19bis-11 § 2 WAM dient ook niet te bewijzen dat hij geen schuld heeft aan het ongeval (Cass. 30 januari 2014, RABG 2016, 343); het is de verzekeraar die uiteindelijk de fout dient te bewijzen.

Tweede gruwel is dat de verzekeraar uiteindelijk verplicht wordt in te staan voor vergoeding van schade van zijn eigen verzekerde, terwijl artikel 3 WAM uitdrukkelijk de schade aan het verzekerd voertuig uitsluit.

Intussen wordt artikel 19bis-11 § 2 WAM door de advocaten bekend met de materie dan ook van langs om meer als subsidiair rechtsmiddel aangewend: indien de aansprakelijkheid niet kan bepaald worden, dan komt het de twee verzekeraars toe om te vergoeden.

Aan deze ontsporing is thans een halt toegeroepen. Op 18.05.2017 heeft de plenaire vergadering van de Kamer het wetsontwerp tot wijziging van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (verder WAM) goedgekeurd. Op 31.05.2017 werd de Wet uitgevaardigd en op 12.06.2017 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Hiermee wordt een einde gesteld aan de onzekerheid en de uiteenlopende interpretaties die aan artikel 19bis-11 §2 WAM gegeven wErd door de verschillende rechtbanken. Essentieel is dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp duidelijk wordt opgemerkt dat het huidige artikel 19bis-11 §2 WAM niet tegemoet komt aan de werkelijke bedoeling die de wetgever voor ogen had, nl. om enkel onschuldige slacht-offers te vergoeden. De aangenomen tekst van het wetsontwerp beoogt dan ook de regeling van de bestaande vergoedingsregeling nauwkeuriger af te stemmen op de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever en de voorwaarden ervan te verduidelijken.

Het thans aangenomen wetsontwerp heeft het artikel 19bis-11 §2 WAM opgeheven en heeft de problematiek ondergebracht in een nieuw artikel 29ter WAM, welk bepaalt (eigen onderlijning):

“§1. Wanneer twee of meer voertuigen betrokken zijn bij een verkeersongeval in België, en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust, ten laste genomen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Voor toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn.

Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.

De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.

Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in artikel 2 §1.

§2. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11 §1, 1°), 2°), 4°), 7°) en 8°).

Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn.

Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen.

Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden.

§3. De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.”

Artikel 29ter WAM heeft dus een aantal verduidelijkingen uit de rechtspraak bij wet vastgelegd, waaronder de toepasselijkheid op een ongeval met twee voertuigen en de vergoeding van zowel materiële als lichamelijke schade en wat er onder het begrip motorrijtuigen dient te worden aanzien. Er wordt eveneens uitdrukkelijk voorzien (bevestigd) dat de vergoedingsplichtigen hoofdelijk zijn gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers. De onschuldige slachtoffers kunnen met andere woorden elk van de BA-verzekeraars van de betrokken motorrijtuigen aanspreken voor het geheel van hun schade.

Voor het overige houdt deze nieuwe bepaling een verstrenging in van het bestaande artikel 19bis-11 §2 WAM:

  • In de aangenomen tekst is uitdrukkelijk voorzien dat enkel onschuldige slacht-offers, “op wie zeker geen aansprakelijk rust” en hun rechthebbenden, aanspraak kun-nen maken op vergoeding.
  • Is er twijfel over zijn aansprakelijkheid, dan kan hij geen vergoeding bekomen. Hiermee geeft de wetgever aan dat het aan het slachtoffer toekomt om zijn onschuld te bewijzen. Dit komt dus neer op een omkering van de bewijslast.
  • Alleen de eigenaar van een motorrijtuig waarvan de bestuurder zeker niet aansprakelijk is, kan vergoeding bekomen van de schade aan zijn motorrijtuig.
  • Zou de bestuurder mogelijks aansprakelijk zijn (m.a.w. indien het niet zeker is dat hij niet aansprakelijk is), dan heeft de onschuldige eigenaar van het voertuig die inzitten-de is, doch geen bestuurder, enkel recht op vergoeding bekomen van zijn schade op grond van artikel 29bis WAM (t.t.z. letselschade en kledijschade). De schade aan zijn voertuig kan hij niet recupereren.
  • De onschuldige slachtoffers die op grond van artikel 29bis WAM een vergoeding kunnen bekomen (zwakke weggebruikers), kunnen enkel voor de schade die niet op grond van artikel 29bis WAM wordt vergoed, zijnde de materiële schade andere dan kledijschade, een beroep doen op grond van artikel 29ter WAM.
  • Tevens is in de aangenomen tekst van artikel 29ter §2 laatste lid WAM uitdrukkelijk voorzien dat de verzekeraar van de voertuigen, die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, niet tot vergoeding is gehouden. Met andere woorden de eisende partij kan volgens de aangenomen tekst niet langer zijn eigen WAM-verzekeraar aanspreken.
Michèle DUMONT
Ivan COPPENS
Dit artikel delen...