Handelshuur: weigering wegens afbraak en wederopbouw – wie moet weder op bouwen?

Dit artikel delen...
Cass. 3 december 2015, C.14.0591.N

Artikel 16, I, 3°, Handelshuurwet bepaalt dat de verhuurder de hernieuwing van de huur kan weigeren omdat hij het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, wil wederopbouwen, en dat als wederopbouw wordt beschouwd elke verbouwing door een afbraak voorafgegaan, beide de ruwbouw van de lokalen rakende en waarvan de kosten drie jaar huur te boven gaan.

De verhuurder-eigenaar die aldus de hernieuwing van de huur weigert, verbindt zich ertoe de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening uit te voeren. Verkoopt hij zijn eigendom aan een vastgoedpromotor die vervolgens overgaat tot afbraak en wederopbouw, dan komt hij tekort aan deze verbintenis. In dat geval heeft de huurder, wiens aanvraag tot huurhernieuwing geweigerd werd door de verhuurder omdat deze het pand zou afbreken en weder op bouwen, recht op een vergoeding gelijk aan drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade volledig te vergoeden. In het concrete geval welk aanleiding gegeven heeft tot voormeld arrest van het Hof van Cassatie, was de verhuurder mede-eigenaar (vruchtgebruiker) van het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een handelshuurovereenkomst. Het Hof oordeelde dat in dat geval de verplichting tot afbraak en wederopbouw kon worden uitgevoerd door eenieder die op het ogenblik van de weigering van de huurhernieuwing eveneens mede-eigenaar is.
Aan de verplichting voor de verhuurder-eigenaar om de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening uit te voeren, wordt dus voldaan, indien deze afbraak en wederopbouw vervolgens gebeurt door iemand die ten tijde van de weigering reeds (weze het beperkte) eigendomsrechten kon doen gelden op het verhuurde goed.
De huurder bekwam aldus geen uitzettingsvergoeding.

Ivan Coppens

Dit artikel delen...